Gisterenavond las ik op NU.nl en de website van dagblad Trouw dat het voor senioren mogelijk moet worden een eind aan hun leven te maken door inname van een “laatste-wil-pil”. Aldus is althans het streven van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde en de Coöperatie Laatste Wil, die hiervoor steun vinden bij Tweede Kamerlid Pia Dijkstra (D66). Zij schrijft momenteel aan een wetsvoorstel van dergelijke strekking. De doelgroep bestaat nadrukkelijk uit ouderen die volgens de huidige euthanasiewet niet in aanmerking komen voor hulp bij zelfdoding, maar wel hun leven willen beëindigen omdat “ze er zelf helemaal klaar mee zijn en er echt niets meer van kunnen verwachten.”

Mij werd het bij het lezen van dit nieuwsbericht zwaar te moede. Ik moest al snel denken aan opgeluchte (klein)kinderen die zich binnenkort verlost weten van verplichte zondagmiddagbezoekjes aan een muf bejaardentehuis en aan handenwrijvende voorzitters van onderpresterende pensioenfondsen. Bij het ministerie van Volksgezondheid vermoed ik eveneens een zeker enthousiasme. Ik verbaasde me dan ook niet over de toezegging van de VVD om te zijner tijd “welwillend” naar Dijkstra’s voorstel te zullen kijken.

Maakt “de pil” straks deel uit van menig geschenkje voor de kersverse tachtiger? Wordt in het schriftelijke pensioenoverzicht van elke vijfenzeventigjarige binnenkort een subtiele suggestie opgenomen?

Nee, zo een vaart zal het vast niet lopen. Veel storender dan bovenstaande fantasieën vind ik de boodschap die wordt afgegeven. Mocht het ooit tot een laatste-wil-pil komen, dan wordt daarmee in onze samenleving de dood een legitiem antwoord op problemen van niet-medische aard. Tegelijkertijd houden zowel de NVVE als ook Dijkstra vast aan toetsing door een arts, iets dat mij voorkomt als tweeslachtigheid. De Coöperatie Laatste Wil heeft van een dergelijke inconsequentie trouwens geen last: Zij stelt de pil graag aan iedere meerderjarige ter beschikking, zonder tussenkomst van een medicus.

Zelfdoding is een moeilijk onderwerp en algemene uitspraken doen hier dan ook zelden recht aan het lijdende individu. Nochtans gaat het idee van een laatste-wil-pil mij meerdere bruggen te ver. Als uitgesproken tegenstander van vrijwillige euthanasie op chronisch geesteszieken (de doodswens maakt hier immers vaak deel uit van het ziektebeeld)  gruw ik helemaal van de gedachte dat de overheid actief dan wel passief (bijvoorbeeld door het afzien van strafvervolging)  hulp bij niet medisch geïndiceerde zelfdoding faciliteert.

Hij die lijdt verdient geen pil, noch veroordeling, maar juist aandacht en steun om zijn leven, in welke fase dan ook, weer zijn moeite waard te maken.